Adviseren, wat als wat je toen deed niet meer werkt?

Adviseren; wat als wat je toen deed, nu niet meer werkt?

Toen ik net begon met HR-werk (ongeveer in 1813, het heette toen nog PZ of P&O) waren adviesvaardigheden een belangrijk item. De functie was ook P&O adviseur. Adviseren over onderwerpen die betrekking hebben op het personeel en de organisatie. Ik ben zelfs nog op training geweest. Adviseren als tweede professie, heette die training. Bloednerveus was ik en zo vreselijk bang om door de mand te vallen. Dat iedereen kon zien dat ik daar helemaal niet thuis hoorde. Overlevingsgedrag in optima forma. Vechten, vluchten en bevriezen, alles kwam voorbij.

Adviseren betekende (toen) voor mij dat je het zelf allemaal moest weten en zo de ander kon vertellen wat hij of zij moest doen. En als dit dan niet zo uitwerkte zoals het bedoeld was, dan was het mijn schuld en moest ik zorgen dat er een nieuw advies kwam. Apen op schouders, anyone?

Adviseren betekende toen voor mij dat je zelf alle kennis moest hebben en de ander kon vertellen wat hij of zij moest doen.

Adviseren, en dan ook nog als tweede professie. Wat is dan de eerste, vraag je je af. Maar dat is voor een andere keer. Adviseren brengt een bepaalde afstand met zich mee. Alsof het niet uitmaakt wat iemand ermee doet. Alsof op het moment dat je het advies gegeven is, je rol is uitgespeeld. En zo kan het soms nog steeds voelen in een staffunctie. Of het nu over HR, communicatie of veiligheid gaat, alle zogeheten adviseurs voelen zich soms onmachtig. Maar óók enorm verantwoordelijk. En dit vraagt een heleboel uithouding- en doorzettingsvermogen. Ik geloof dat het Einstein was die heeft gezegd dat de definitie van waanzin is, 100x hetzelfde doen en een ander resultaat verwachten. Zo voelt het soms vanuit een adviesfunctie. Doorzetten, volhouden, niet opgeven.


Adviseren brengt een bepaalde afstand met zich mee. Alsof het niet uitmaakt wat iemand ermee doet. Alsof op het moment dat je het advies gegeven is, je rol is uitgespeeld. En zo kan het soms nog steeds voelen in een staffunctie.

En wanneer je dit al heel lang doet, wordt het doorzetten en volhouden een gewoonte. En opgeven en stoppen steeds minder een optie. Tanden op elkaar. Harder werken, eventjes maar… Hierdoor vertroebelt je blikveld. Wordt het volhouden een waarde. Wordt de aanblik van mensen die dit niet doen steeds slechter te verdragen. Jij gaat toch immers ook door? Waarom mag een ander dan wel stoppen? Volhouden tegen wil en dank verhardt. Maakt dat je minder openstaat voor de belevingswereld van anderen. Dat je minder goed bij je empathie kunt.

En wat gebeurt er dan wanneer je na al die jaren hard werken geconfronteerd wordt met een (jongere) collega die dat offer niet wil of kan maken? Die niet wil of niet kan voldoen aan de eisen? Eisen waaraan jij zelf eigenlijk nooit hebt getwijfeld of ze wel redelijk zijn voor jou. Waar sta je dan met je advies, je ervaring en je kennis? Wat doe je met je eigen boosheid en onbegrip? Emoties die maken dat van afstand en professionaliteit geen sprake meer is.

Je kunt ervoor kiezen, bewust of onbewust, om verder te verharden. Te klagen tegen anderen dat de jonge generatie niets meer gewend is. ‘Dat krijg je van die softe curling-ouders’ (dankjewel Luizenmoeder). Of je kunt de confrontatie met jezelf aangaan. Liefdevol. Onderzoeken wat maakt dat het je zo raakt wanneer een ander wel opgeeft, voor zichzelf kiest. Vraagtekens stelt bij het keurslijf waarin we ons hebben laten plaatsen. Je empathie weer opzoeken. Verzachten. Want zelfs in die training die ik zo lang geleden heb gevolgd ging het over Aandacht voor jezelf en Aandacht voor de ander. En waar aandacht zo lang een vaardigheid is geweest, wordt het hoe langer hoe meer een staat van zijn. Die maakt dat we niet alleen onszelf beter leren begrijpen, maar ook naast de ander kunnen staan. En dan met empathie voor jezelf en voor de ander ruimte te creëren in je advieswerk.